Maatwerk
Wat houdt de behandeling binnen Feniks concreet in?
MILAN: “We zoeken voortdurend naar manieren om mensen inzicht te geven in hun daden en hen handvatten te bieden om herval te voorkomen. Daarbij kijken we ook naar onderliggende problemen. Neem iemand die geweigerd wordt voor een zedenbehandeling door agressieproblemen: dan kan er op Feniks eerst gewerkt worden aan de agressie- of impulscontroleproblematiek van deze persoon.
Praten is een eerste stap, maar therapie moet aangepast worden aan de persoon. Bij mensen met een cognitieve beperking werk je meer met herhaling en kortere sessies. Bij anderen kan je cognitief meer uitdagende opdrachten geven. Het is maatwerk, waarbij we rekening houden met wat aanslaat bij de persoon.
We hebben een module rond het vlaggensysteem, waarbij gedetineerden leren onderscheiden wat seksueel grensoverschrijdend gedrag is en wat aanvaardbaar is. Andere modules zijn bijvoorbeeld emotieregulatie en gezonde seksualiteit.”
Nu lijkt het alsof zedendelinquenten niet weten wat juist en fout is. Werkt zo’n systeem echt?
MILAN: “Zeker. Het normen- en waardensysteem van deze mensen ligt vaak ver van dat van de samenleving. Wat wij grensoverschrijdend vinden, is dat voor hen soms niet. Dat besef groeit wel degelijk via onder meer het vlaggensysteem.
Voor sommigen is het een openbaring dat je niet zomaar met een kind kan chatten, of dat een kind geen toestemming kan geven voor seksualiteit. Of: ‘maar het was een prostituee, ik had toch betaald’. Gedetineerden beoordelen deze module zelf als zeer nuttig, net omdat ze zo concreet aansluit bij hun feiten.
Dat verschil in normenkader toont ook hoe belangrijk opvolging buiten de gevangenis is. Daar moeten ze omgaan met vrijheden: internet, relaties, keuzes rond werk, woonst of vrije tijd. Dat moet aansluiten bij wat ze hier leren.”
Gezocht: bewuste cipier
Dit is een proefproject. Welke lessen kunnen we al trekken?
NIELS: “Laat mij eens positief zijn. Ik werk in de hele gevangenis van Dendermonde en zie duidelijke verschillen. De samenwerking tussen penitentiair beambten, therapeuten en andere partners is hier een sleutel tot succes. Dat therapieklimaat groeit en werpt vruchten af. Dat zou ik graag breder zien.”
MILAN: “Daar ben ik het mee eens, maar er is ook werk aan de winkel. Die samenwerking vraagt veel energie. We hebben nog geen stabiel team van beambten kunnen uitbouwen. Dat is jammer, want gerichte opleiding en coaching zou een grote meerwaarde zijn.
Ik heb voorgesteld om cipiers specifiek te laten solliciteren voor Feniks, zodat je mensen krijgt met affiniteit voor de doelgroep. Dat bleek niet mogelijk door een gebrek aan personeel.
In een ideale situatie is er informatie-uitwisseling tussen alle partners, met respect voor het beroepsgeheim. Dat versterkt het therapeutisch klimaat. Dat is niet altijd zo. Helaas zijn er ook incidenten geweest waarbij beambten hun afkeer te sterk tonen tegenover gedetineerden. Dat werkt contraproductief. Een therapieomgeving moet veilig aanvoelen. De beste resultaten halen we met mensen die niet stigmatiseren.”
Wat kan er nog beter?
NIELS: “Dat deze manier van werken breder wordt toegepast, ook bij andere delinquenten. Iedereen heeft er baat bij dat gevangenispersoneel meer betrokken is.”
MILAN: “Ik zou graag meer ruimte maken voor identiteitsontwikkeling. Wie ben je nog, buiten je delict? Hoe wil je verder? Ook meer werk- en opleidingsmogelijkheden zouden helpen. Die zijn er al, maar beperkt door de infrastructuur van de gevangenis. Dat Feniks bestaat, is op zich al een grote stap vooruit.”