Jullie krijgen zelf ook veel verhalen te horen. Welke zijn jullie bijgebleven?
KATRIEN: “De moeilijke dingen, de frustraties blijven altijd meer hangen. Zo zijn er de eeuwige wachtlijsten. Als je mensen zover krijgt dat ze hulp willen aanvaarden, bots je vaak op beperkte capaciteit binnen de hulpverlening, waardoor wachttijden kunnen oplopen tot een jaar of zelfs anderhalf jaar. Wij moeten dan zoeken naar noodscenario’s om in die overbruggingsperiode toch wat veiligheid te creëren, zeker wanneer er kinderen bij betrokken zijn.
De impact van onze job valt moeilijk te meten. Wat je mogelijk voorkomen hebt, is niet zichtbaar. Toch is het wel iets waar je je als casusregisseur aan kan vasthouden, ook al is het slechts iets kleins. Mensen zijn vaak erg dankbaar. Ze voelen zich voor het eerst echt gehoord.”
SOPHIE: “Het is uniek dat wij met de twee partijen werken, met het slachtoffer én met de dader. Wij doen niet aan waarheidsonderzoek, we zijn geen rechters. Als mevrouw bijvoorbeeld zegt dat er bij mijnheer een verslaving in het spel is en mijnheer geeft dat toe maar zegt dat ook bij mevrouw een verslaving zit, dan gaan wij dat niet als waar of onwaar beoordelen. We nemen het mee in onze verdere ondersteuning. Ik sluit mijn gesprekken altijd op dezelfde manier af door te zeggen: ik hoop dat we mekaar nooit meer horen. Dat klinkt misschien onvriendelijk, maar er komt dan altijd gelach aan de andere kant. Ze beseffen dat, als ze mij niet meer horen, het dan goed gaat. Als ik ze dan effectief ook niet meer moet horen, dan geeft dat een goed gevoel, bij hen én bij mij.”
KATRIEN: “Een studente criminologie voerde vorig jaar een beperkte bevraging uit bij onze cliënten, als masterproef. Daaruit bleek dat mensen het meest hadden gewaardeerd dat ze bij ons terecht konden en wij alles opvolgden. Ze moeten hun verhaal niet elke keer opnieuw aan anderen vertellen en voelen zich opgenomen in een warm netwerk. Bovendien zijn we erg toegankelijk. Mensen kunnen ons op gelijk welk moment op verschillende manieren contacteren.”
Hoe zien jullie de toekomst van het Veilig Huis? Wat moet of kan er nog beter?
SOPHIE: “Ik denk aan de onmenselijke situaties in de gevangenissen. Een gedegen psychosociale ondersteuning zou daar al moeten starten. Daders komen na de gevangenis immers terug in onze gezinnen terecht. Inzetten op langdurige hulp, een netwerk en vertrouwen opbouwen vraagt tijd. Zo kunnen we ten volle onze rol als ‘kanarie in de koolmijn’ spelen. Wij zitten op het veld en zien, horen en voelen waar het fout loopt of kan lopen.”
KATRIEN: “Het zou mooi zijn mocht het Veilig Huis rechtstreeks toegankelijk zijn voor burgers. Ik zie het dan als een soort inloophuis. Verder is er ook nood aan meer educatie. Jonge mensen beginnen aan relaties en weten vaak niet wat oké is en wat niet. Je ziet bijvoorbeeld in de serie op VRT dat bepaalde signalen of voortekens altijd weer terugkeren. Het zou veel leed voorkomen mochten jonge mensen, zowel meisjes als jongens, die tijdig opmerken. Ook hier geldt het spreekwoord ‘voorkomen is beter dan genezen’. Wij geven alvast vorming aan onze professionele partners, maar het is voorlopig nog maar een klein onderdeel van onze werking en dat zou best meer mogen zijn.”
Wat geven jullie graag mee aan lokale besturen die nog niet in het Veilig Huis zijn ingestapt?
SOPHIE: “In onze regio zijn alle lokale besturen ingestapt. Dat is een luxepositie! We begrijpen dat lokale besturen verantwoordbare keuzes moeten maken, ook budgettair. Dat is soms een moeilijke kaap om te nemen, maar het loont zeker de moeite om mee in het Veilig Huis te stappen. Lokale besturen kunnen onze werking dichter bij hun inwoners brengen.”